Henk, januari 2013
Luister mee op: http://www.bosrtv.nl/uitzending.aspx?lIntEntityId=1593&lIntType=1
Als je op de pagina van de Boeddhistische Omroep Stichting bent gekomen, dien je even omlaag te scrollen om mijn column te kunnen horen.

Gerrit, mijn maatje in het verpleegtehuis was overleden toen ik een maand in een boeddhistisch centrum oefende. Ondanks de vraag aan de leidinggevende om me te waarschuwen als er iets ernstigs met hem zou voorvallen, had hij me niet opgebeld. Hij en de begrafenisondernemer waren de enige aanwezigen op de begrafenis. Ik had er ook moeten zijn. Genoeg reden om me op te winden, maar ik behield mijn kalmte - wat wil je na een maandje mediteren - en ik vroeg om een ander maatje.
Hij wees me Henk toe, een vijftiger in een rolstoel die me met een mengeling van angst en woede in zijn ogen begroette. De arme man, geveld door een zwaar herseninfarct, kon niet meer praten, kon eigenlijk niets meer, behalve kettingroken. Hoe zou ik hem kunnen vermaken? Afleiding beschouwde ik als een van de belangrijke onderdelen van mijn vrijwilligerswerk. Met deze meneer viel niet te grappen. Hoe moest ik de tijd nuttig met hem doorbrengen?
Henk verbleef voornamelijk in het rookhol en al spoedig begreep ik dat je hem van dienst kon zijn door zijn sigaretten aan te steken. Vuur en rook, nog net geen hel in dat hok: wel een vagevuur dat ik, zodra het weer het even toestond, verliet om een stadsrondje achter de rolstoel te maken. Ik voelde me in die tijd gerust wel een goed mens, vooral als ik kennissen, die mij zagen duwen, tegenkwam. Bovendien gaf ik hem voortdurend vuurtjes.
Hij daarentegen bleef onophoudelijk nukken. Woede heeft een destructieve uitwerking, niet alleen naar anderen maar uiteindelijk ook naar jezelf. Het was daarom niet gek, dat Henks gezondheid zienderogen verslechterde. Ik was getuige van zijn verbeten gevecht in een strijd die bij voorbaat verloren was. De nederlaag kon hij niet aanvaarden, dus leed hij ontiegelijk.
Toen ik op een avond naast zijn bed zat, begon ik troostend te praten. Dat het beter was de strijd op te geven, dat dit zo hier toch geen leven was, dat het beter was om toe te geven, dat het dan rustig zou worden. Toe, geef maar toe, beste Henk.
Nadat ik deze woorden, die spontaan uit mijn hart opwelden, had uitgesproken, opende hij zijn ogen en keken we elkaar aan. Even maar. Het was ons eerste en enige echte contact
Later, fietsend in een miezerig regentje op weg naar huis, vroeg ik me vertwijfeld af of ik niet te ver was gegaan. Ik had immers geen opleiding gevolgd voor stervensbegeleider of een getuigschrift voor palliatief medewerker?
Misschien heb ik er toch enige aanleg voor, want de volgende dag hoorde ik dat hij gestorven was.